Wat
is Down syndroom?
De meest bekende en frequente chromosoomafwijking is mongolisme, dat vaak ook
syndroom van Down wordt genoemd omdat Dokter Langdon Down dit syndroom als
eerste beschreef in de medische literatuur. Een syndroom is een ziekte waarbij
er afwijkingen zijn van verschillende organen. In de genetica, en in de geneeskunde
in het algemeen, worden ziekten vaak genoemd naar de arts die de ziekte voor
het eerst beschreef.
Het syndroom van Down is één van de meest voorkomende oorzaken
van mentale achterstand met een gemiddelde frequentie van 1 op 700 geboorten.
De frequentie van Down syndroom neemt echter toe met de leeftijd van moeder.
Bij het syndroom van Down vormt de verstandelijke achterstand het voornaamste
kenmerk. Deze achterstand is altijd ernstig zodat patienten met Down syndroom
als kind laat leren lopen en niet naar een gewone school kunnen gaan, en
als volwassene niet zelfstandig kunnen functioneren. Ook treedt bij de meeste
patienten
met Down syndroom dementie op vanaf de leeftijd van 50 jaar. Ongeveer de
helft van de Down patienten vertoont een aangeboren hartafwijking, die vaak
ingewikkelde
chirurgische ingrepen vereist. Verder is ook het uiterlijk typisch: de speciale
oogstand die herinnert aan het Mongoolse ras, heeft geleid tot de naamgevingen
Mongooltje en mongolisme.
 |
 |
 |
Baby
met Down syndroom. |
Kind
met Down syndroom. |
Volwassene
met Down syndroom. |

Wat
veroorzaakt het syndroom van Down?
Het
syndroom van Down wordt veroorzaakt door een extra derde
chromosoom 21. Terwijl iedereen twee chromosomen 21 heeft,
zijn er bij deze patiënten
3 chromosomen 21 aanwezig. Men spreekt daarom van een trisomie 21. De oorzaak
van een trisomie ligt meestal bij de vorming van de geslachtscellen (de
eicel van de moeder of zaadcel van de vader). Normaal
bevatten de geslachtscellen,
die bij de bevruchting samenkomen, elk 23 chromosomen met 1 chromosoom
21. Wanneer echter één van de geslachtscellen
een chromosoom 21 te veel heeft, zal de bevruchte eicel
waaruit de baby ontstaat, 47 chromosomen
hebben, met 3 chromosomen 21.
 |
Het
risico op een kind met Down syndroom neemt toe met
de leeftijd van moeder. |
Een gemiddeld ouderpaar heeft een risico van ongeveer 1:200 op een kind met
een chromosoomafwijking. In ongeveer de helft tot één derde
gaat het om een trisomie 21.
Met de leeftijd van de moeder, met name vanaf het 36 ste levensjaar, stijgt
het risico dat de eicel 2 in plaats van 1 chromosoom 21 bevat, en neemt dus
ook het risico op een kind met het syndroom van Down toe. Daarom laten zwangeren
die iets ouder zijn (meestal vanaf de leeftijd van 36 jaar) vaak een onderzoek
tijdens de zwangerschap doen (vruchtwaterpunctie) om uit te sluiten dat de
vrucht een trisomie 21 heeft. Het meeste aantal Down babies wordt echter
geboren
bij jonge moeders omdat die meer kinderen krijgen dan oudere vrouwen. Daarom
is
men de laatste 10 jaar begonnen met het screenen van vrouwen van alle leeftijden
op Down syndroom.
 |
Een
meisje(twee X chromosomen) met Down syndroom: er zijn
47 in plaats van de normale 46 chromosomen met 3 in
plaats van de normale 2 exemplaren van chromosoom 21.
Men spreekt ook van een trisomie 21. |

Wat is erfelijkheid?
DNA
Ons erfelijk materiaal bestaat uit een chemische stof die nucleinezuur wordt
genoemd. De Engelse vertaling van nucleinezuur is Deoxy Nucleic Acid, en daarom
spreekt men meestal van DNA.
De lange draad DNA bestaat eigenlijk uit 46 verschillende draden, die chromosomen
worden genoemd.
 |
| Al
onze cellen bevatten chromosomen: dit zijn lange
draden erfelijk
materiaal(DNA). Er bestaan slechts 4 verschillende
bouwstenen van DNA(nucleinezuren of basen genoemd):
A, C, T & G. In elke cel hebben wij ongeveer 3
miljard basen. Deze bepalen de erfelijke code omdat
ze coderen voor alle mogelijke functies van ons lichaam. |
Chromosomen
In onze cellen bevindt zich een celkern die de verschillende chromosomen bevat.
Deze chromosomen zijn lange draden erfelijk materiaal (DNA).
 |
Een chromosoom
gezien door de microscoop: de lange draad DNA is opgerold
in het chromosoom. De uitlopers van de opgerolde DNA
draden zijn te zien aan de rand van het chromosoom. |
Van elk chromosoom hebben wij in elke lichaamscel
2 exemplaren, waarvan er telkens één van vader en één van moeder is. Er
zijn in elke lichaamscel 23 chromosoomparen, dus in totaal 46 chromosomen.
In de geslachtscellen (eicel bij de vrouw en spermacel bij de man) zijn er
echter maar 23 chromosomen, en is er maar één exemplaar van elk
chromosomenpaar aanwezig. Wanneer de 23 chromosomen van de eicel samenkomen
met de 23 chromosomen van de spermacel, ontstaat een bevruchte eicel of zygote
met 46 chromosomen waaruit het kind zich zal ontwikkelen.
| |
| De 46 chromosomen zijn in paren gerangschikt
volgens grootte. Het geheel van gerangschikte chromosomen
wordt een karyotype genoemd. Ieder chromosomenpaar
wordt met een nummer aangeduid. Van elk chromosoom
hebben wij twee exemplaren. Er zijn ook 2 verschillende
geslachtschromosomen, het X- en het Y-chromosoom(rechtsonder).
In deze figuur is het karyotype van een man afgebeeld. |
 |
| Karyotype van
een vrouw: de twee geslachtschromosomen rechtsonder
zijn X-chromosomen, en er is geen Y-chromosoom. |
Chromosoomafwijkingen
Elk normaal persoon heeft in iedere cel van zijn lichaam 46 chromosomen. Personen
met te veel of te weinig chromosomen hebben een chromosoomafwijking. Aangezien
er veel verschillende chromosomen zijn, bestaan er ook veel verschillende chromosoom
afwijkingen. Trisomien zijn chromosoomafwijkingen waarbij er een chromosoom
teveel is. Deze ontstaan wanneer in de eicel of spermacel geen 23 maar 24 chromosomen
terechtkomen, zodat 1 welbepaald chromosoom in drievoud ipv in tweevoud aanwezig
is bij de baby. Wanneer het gaat om chromosoom 21 ontstaat er dus een trisomie
21, met het syndroom van Down tot gevolg.
In de meeste gevallen lijden deze trisomieen tot ernstige lichamelijke en geestelijke
afwijkingen. De meest bekende en frequente chromosoomafwijking is Down syndroom,
ook trisomie 21 genoemd.
Andere numerieke chromosoomafwijkingen zijn trisomie
13 (ook syndroom van Patau genoemd), trisomie 18 (ook syndroom van Edwards
genoemd) en het syndroom van
Turner.
Trisomie
13 is een zeer ernstige chromosoomafwijking waarbij de kinderen
vroeg overlijden. De baby's met trisomie 13 hebben
ook vaak een gespleten lip en verhemelte, hersenafwijkingen
en hartafwijkingen.
 |
 |
| Trisomie 13 baby met een gespleten lip
en verhemelte. |
Trisomie 13: er bestaan 3 chromosomen
13, en het totale aantal chromosomen is 47. |
Ook trisomie 18 is een ernstige chromosoomafwijking waarbij
de babies meestal in het eerste levensjaar overlijden.
Kenmerken zijn hersenafwijkingen, hartafwijkingen, een
kleine mond en afwijkende handjes met gebalde vuistjes.
 |
 |
| Trisomie 18 baby met kleine mond, gespleten
lip, laagingeplante oortjes, gebalde vuist en ademhalingsmoeilijkheden. |
Trisomie 18 met 47 chromosomen en 3
chromosomen 18. |
Welke testen zijn beschikbaar om Down syndroom te
screenen?
Eerste trimester screening
Sinds enkele jaren gebeurt in sommige Westerse
landen een Downscreening in het eerste trimester van de zwangerschap.
Deze screeningstest combineert echografische parameters van
de foetus met name de kruin-romp-lengte of CRL en de nekplooimeting
of NT met 2 biochemische parameters : PAPP-A (Pregnancy Associated
Placental Protein-A) en ß-HCG (Human Chorionic Gonadotrophin).
De echografie gebeurt best tussen de 11-13 weken. De bloedafname
kan op hetzelfde moment verricht worden, maar het is beter
om de bloedafname te verrichten tussen de 9-10 de week omdat
de resultaten van de test dan bekend zijn op het moment van
de NT meting.
Deze test is geen diagnostische test, maar een screeningstest
die enkel een verhoogd risico aangeeft voor het syndroom van
Down.
In het geval van een afwijkende 1ste trimester screeningstest
wordt een vruchtwaterpunctie of vlokkentest aanbevolen om een
chromosoomafwijking bij de foetus uit te sluiten. Gezien het
tijdstip van de screening is een vlokkentest op dit tijdstip
van de zwangerschap nog mogelijk, waardoor het resultaat van
de chromosomenkweek ook vroeger gekend is.
Tweede trimester screening
De maternale screening op Down syndroom kan
ook in het tweede trimester worden uitgevoerd, en bestaat dan
uit bepaling van
3 eiwitten in moederlijk bloed, ß-HCG (Human Chorionic
Gonadotrophin), AFP (a1-FoetoProtein)
en Vrije Oestriol. Gezien het dus gaat over een bepaling van
drie verschillende bestanddelen,
wordt
deze
test
ook triple
test genoemd.
De triple test wordt uitgevoerd in het tweede trimester van
de zwangerschap tussen de 14de en 18de week. De triple test
is geen echte diagnostische test, die een afwijking bij de
foetus diagnosticeert, maar een screeningstest die enkel een
verhoogd risico aangeeft voor het syndroom van Down. In het
geval van een afwijkende 2de trimester screeningstest wordt
een vruchtwaterpunctie aanbevolen om een chromosoomafwijking
bij de foetus uit te sluiten. Gezien het tijdstip van de screening
(14de en 18de week)is een vlokkentest op dit tijdstip van de
zwangerschap niet meer aangewezen.

Hoe wordt een prenatale test uitgevoerd?
Vruchtwaterpunctie - amniocentese
Bij een vruchtwaterpunctie wordt een beetje (ongeveer 20 ml) vruchtwater
van de foetus opgezogen na een prik door de buikwand en de vruchtvliezen.
Deze prik wordt uitgevoerd en brengt weinig hinder of pijn mee voor
moeder en foetus (te vergelijken met een prik voor een bloedafname
of inspuiting van geneesmiddelen). Een vruchtwaterpunctie brengt slechts
een klein risico voor de zwangerschap mee. In ongeveer 1 op 200 gevallen
(0,5%) treedt na de prik een miskraam op ten gevolge van een bloeding,
een infectie of een vruchtwaterlek. De kans op beschadiging van de
vrucht of de geboorte van een kind dat letsels toont van de vruchtwaterpunctie
is uitermate klein. Natuurlijk is niet elke miskraam na een vruchtwaterpunctie
het gevolg van deze punctie, want ook vrouwen die geen vruchtwaterpunctie
krijgen, kunnen een miskraam hebben.
Een vruchtwaterpunctie wordt gedaan om zowel vruchtwater als foetale
cellen die in het vruchtwater zweven te verkrijgen. Deze vruchtwatercellen
zijn cellen van het kind, afkomstig van de huid en de slijmvliezen.
Zowel de vruchtwatercellen als het vruchtwater kan men gebruiken voor
prenataal onderzoek. Dit onderzoek kan enerzijds bestaan uit onderzoek
van de chromosomen, de stofwisseling , of DNA en anderzijds uit bepaling
van het alpha foeto proteine gehalte (AFP). Bij elke vruchtwaterpunctie
wordt standaard een bepaling van het AFP (om een neuraal buis defect
uit te sluiten), en een chromosomenonderzoek(om bv uit te sluiten dat
de foetus Down syndroom heeft) uitgevoerd. Soms wordt aanvullend aan
het gewone chromosomenonderzoek een speciaal snel screenend chromosomenonderzoek
gedaan om enkele frequente chromosoomaandoeningen zoals Down syndroom
uit te sluiten. In vele gevallen wordt tegenwoordig ook DNA onderzoek
naar mucoviscidose gedaan. Additioneel kan onderzoek verricht worden
naar specifieke ziektebeelden waarop een verhoogd risico bestaat.
Een vruchtwaterpunctie wordt liefst tussen de 14de en de 16de zwangerschapsweek
uitgevoerd. De uitslag van de AFP test en het snelle chromosomenonderzoek
zijn reeds na 3 dagen bekend. Het additionele onderzoek (volledige
chromosomen onderzoek, het DNA onderzoek en het biochemisch onderzoek)
duurt meestal langer (2-4 weken) omdat hier vaak vruchtwatercellen
moeten voor gekweekt worden in het laboratorium, wat tijd kost.
Wanneer door vruchtwateronderzoek een afwijking wordt gevonden is de
termijn van de zwangerschap vaak reeds gevorderd tot de 18 de week.
Wanneer de ouders beslissen de zwangerschap te onderbreken, is dit
alleen mogelijk door het met medicijnen opwekken van de bevalling.
 |
 |
Vruchtwaterpunctie: met
een naald wordt door de buik geprikt tot in het vruchtwater,
en ongeveer 10-20ml vruchtwater(een half glas) wordt
opgezogen. Zowel de vruchtwatercellen die in het vruchtwater
drijven als het vruchtwater zelf worden in het laboratorium
onderzocht. |
Het opgezogen vruchtwater
wordt na de vruchtwaterpunctie in een buis overgebracht
om nadien in het laboratorium onderzocht te worden. |
Vlokkentest - chorionbiopsie
Bij een vlokkentest worden vlokken afkomstig van de foetus onderzocht
(vandaar de naam vlokkentest). Door een zuigslangetje in te brengen
door de baarmoedermond, of via een punctie door de buikwand en de chorion
vliezen, kan men vlokken opzuigen (vandaar de naam chorion biopsie).
De vlokken zijn uitlopers van de moederkoek, die zich rondom de foetus
bevindt. De prik van de vlokkentest brengt weinig hinder of pijn mee
voor de moeder, net zoals bij een vruchtwaterpunctie. Het risico op
een miskraam is echter iets hoger dan bij een vruchtwaterpunctie, en
ligt in ervaren handen tussen 1 en 2%. Dat dit risico hoger is dan
bij de vruchtwaterpunctie is niet verwonderlijk : de vlokkentest gebeurt
immers vroeger dan de vruchtwaterpunctie (meestal in de 11de zwangerschapsweek),
en de foetus is in de 11de week gevoeliger voor een ingreep dan in
de 16de week wanneer de vruchtwaterpunctie meestal wordt uitgevoerd.
Met de vlokkentest kan men prenataal onderzoek verrichten naar dezelfde
afwijkingen als men kan opsporen met een vruchtwaterpunctie, met uitzondering
van het AFP gehalte: AFP kan enkel in vruchtwater en serum bepaald
worden. Met een vlokkentest kan dus chromosomen -, biochemisch - en
DNA - onderzoek verricht worden. Een ander nadeel van de vlokkentest
ten opzichte van de vruchtwaterpunctie is het hogere risico op miskraam.
Maar de vlokkentest heeft ook voordelen ten opzichte van de vruchtwaterpunctie.
Wanneer er DNA onderzoek moet gebeuren, is het beter een vlokkentest
uit te voeren omdat vlokken meer geschikt zijn voor DNA onderzoek dan
vruchtwater. Het grote voordeel van de vlokkentest is echter dat deze
vroeger kan uitgevoerd worden dan de vruchtwaterpunctie (11de versus
16de week), terwijl de onderzoeken vaak ook rechtstreeks op de vlokken
kunnen uitgevoerd worden zonder dat deze moeten opgekweekt worden.
Zo is de uitslag van de vlokkentest (12de week) meestal meer dan een
maand eerder gekend dan het resultaat van een vruchtwaterpunctie (18de
week). Wanneer bij een vlokkentest een afwijking wordt gevonden, en
de ouders een zwangerschapsonderbreking wensen, kan dit nog gebeuren
door een curettage. Dit is meestal minder belastend dan het induceren
van een bevalling na een vruchtwaterpunctie.
 |
| Vlokkentest:
met een naald wordt door de buik geprikt tot in de
placenta(moederkoek), en een aantal vlokken worden
opgezogen. Deze vlokken worden in het laboratorium
onderzocht. |
 |
| De
vlokken bevatten cellen van de foetus die in het laboratorium
kunnen onderzocht worden. |

Waaruit bestaat een genetisch advies?
Het belang van het tijdig herkennen van erfelijke
aandoeningen wordt meer en meer onderkend. Daarom worden dan
ook steeds
vaker mensen verwezen naar een specialist in de genetica -
de geneticus. Deze heeft als taak om mensen te informeren over
erfelijke ziekten, wanneer deze bezorgd zijn een erfelijke
aandoening te hebben of in de toekomst te ontwikkelen. De geneticus
zal ook volledig gezonde mensen informeren over de risico’s
op kinderen met erfelijke ziekten. Soms bestaat er bezorgdheid
over blootstelling aan schadelijke stoffen of het gebruik van
geneesmiddelen voor of tijdens de zwangerschap. Andere redenen
om de geneticus te consulteren kan de verhoogde leeftijd van
de ouders (met name van de moeder) of het herhaald (twee of
meer) miskraam zijn.
Wanneer er al een patient in de familie is met een ziekte die
mogelijk erfelijk is, zal de geneticus de nodige onderzoeken
doen om tot een zekere diagnose te komen. Ook wanneer er een
verhoogd risico op Down syndroom werd vastgesteld bij de screening
wordt de geneticus vaak gecontacteerd.
De kosten van de diverse vormen van erfelijkheidsonderzoek
worden grotendeels vergoed door de ziektekostenverzekering
mits betaling van een beperkt bedrag aan remgeld.
