| WAT IS HET SYNDROOM VAN DOWN? |
| |
Het
syndroom van Down (in de volksmond ook Mongolisme
of mongooltje genoemd) is één
van de meest voorkomende oorzaken van mentale achterstand,
waarbij
ook aangeboren hartafwijkingen of andere lichamelijke
afwijkingen kunnen aanwezig zijn. Volgens statistieken
is 1 op 700 geboorten een baby met Down syndroom. De
oorzaak van Down syndroom is de aanwezigheid van drie
in plaats van de normale twee chromosomen 21: men
spreekt dan ook van trisomie 21.
Door de hedendaagse opvang en begeleiding is de gemiddelde
levensverwachting vandaag de dag meer dan 60 jaar indien
er geen hartafwijking bestaat. |
|
|
| WIE SCREENEN OP DOWN SYNDROOM? |
| |
De
kans op een baby met het syndroom van Down neemt
sterk toe bij hogere leeftijd van de
aanstaande moeder.
Zo bedraagt het risico bij 35-jarige leeftijd ongeveer
1 op 350. Daarna stijgt het risico exponentieel en
is op 40-jarige leeftijd zelfs 1 op 100. Nochtans
worden
slechts 20% van het totale aantal Down baby’s
geboren in de leeftijdsgroep ouder dan 35 jaar. Dit
komt omdat het aantal zwangerschappen boven deze leeftijd
lager is, en ook omdat in de meeste prenatale zorgprogramma’s
vrouwen vanaf 35 jaar kunnen opteren voor een diagnostische
test (dwz vruchtwaterpunctie of vlokkentest). Deze
diagnostische testen houden een klein risico in op
complicaties.
De laatste 10 jaar is men begonnen om vrouwen ongeacht
hun leeftijd te screenen op Down syndroom. De screeningstest
is dus een optie voor alle zwangere vrouwen.
Wanneer uit de screeningstest blijkt dat er een verhoogd
risico op Down syndroom bestaat, kan een diagnostische
test (chromosoomanalyse na vruchtwaterpunctie of vlokkentest)
worden uitgevoerd (meestal bij een risico groter dan
1 op 300).
Als richtlijn wordt aangeraden de screeningstest te
laten uitvoeren indien U wil geïnformeerd zijn
tijdens de zwangerschap over het risico op Down syndroom
bij
uw baby. |
|
|
| WELKE SCREENINGSTESTEN ZIJN ER, EN HOE VERLOOPT HET
PRAKTISCH? |
| |
Er zijn op dit ogenblik twee manieren om te screenen
voor het syndroom van Down.
Er is de tweede trimester screening, die sinds vele
jaren in prenatale zorgprogramma’s is opgenomen.
Sinds enkele jaren is ook eerste trimester screening
beschikbaar,
gegroeid vanuit de bezorgdheid om zo snel mogelijk
uitsluitsel te geven omtrent het syndroom van Down.
Beide testen
zijn inmiddels grondig bestudeerd, en met beide is
er ruime ervaring.
Bij
de tweede trimester screening worden de hoeveelheid
van drie specifieke eiwitten gemeten in het bloed.
Daarom is de test ook bekend als de zgn. triple-test.
Deze 3 eiwitten zijn AFP (Alpha Foeto Proteine), ß-HCG
(Human Chorionic Gonadotrophin), en oestriol. De
bloedname wordt verricht tussen 14 en 18 weken
van de zwangerschap
(Er wordt gerekend vanaf de eerste dag van de laatste
menstruatie).
De
eerste trimesters creening bestaat uit twee componenten,
een echografische meting en een bloed afname. Bij
de echografische meting wordt de grootte van het embryo
gemeten (de zgn. kruin-romp lengte, of CRL in vaktermen),
en daarnaast ook de dikte van de nekplooi (Nuchal
Translucency
of NT in vaktermen); een tijdelijke verdikking van
de nekplooi komt immers vaker voor bij embryo’s
met het syndroom van Down. Voor een goede meting
is de CRL best tussen 45 en 85 mm zijn, wat overeenstemt
met een zwangerschapsduur tussen 11 en 14 weken.
De
tweede component van de eerste trimester screening
bestaat uit een bloedname tussen 9 en 12 weken zwangerschap;
het optimale tijdstip is 9 of 10 weken. Hierbij worden
twee biochemische bestanddelen in het bloed bepaald.
Het is best eerst de bloedname te laten verrichten,
en daarna de echografische meting. Bij de echografische
meting beschikt uw arts over de resultaten van de bloedname,
en kan zij/hij gebruik makend van het risico berekeningsprogramma
u meedelen of het risico al dan niet verhoogd is.
Vanaf 13 weken zwangerschap is eerste trimester screening
niet meer mogelijk, en wordt overgegaan tot tweede
trimester screening. Maar ook voor de risicoberekening
bij tweede trimester screening is het nuttig om de
nekplooi dikte te vermelden, indien deze bekend is. |
|
|
| WAT IS DE WAARDE VAN DE SCREENINGSTEST OP DOWN SYNDROOM? |
| |
De
screeningstest is enkel een risicoberekening, en
kan geen zekerheidsdiagnose geven. In werkelijkheid
komt
het erop neer dat ongeveer 5% (dwz 1 kans op 20) van
alle gescreende patienten een verhoogd risico (groter
dan 1 op 300) op Down syndroom heeft, en in aanmerking
komt voor een diagnostische test (vruchtwaterpunctie
of vlokkentest, al naargelang de termijn (vruchtwaterpunctie,
of eventueel een vlokkentest bij eerste trimester screening).
Slechts 2% van de groep met een verhoogd risico heeft
is ook effectief zwanger van een kind met Down syndroom.
Dus, van 1000 gescreende vrouwen heeft 50 (5%) een
afwijkende screeningstest, maar slechts in 1 zwangerschap
betreft
het een kind met het syndroom van Down.
Anderzijds geeft een normaal resultaat van de screeningstest
geen 100% garantie op een baby zonder het syndroom
van Down, noch bij de tweede trimester screening, noch
bij
de eerste trimester screening. |
|
|
| WAT
MOET U DOEN ALS U EEN SCREENINGSTEST WIL LATEN VERRICHTEN? |
| |
Bent
u overtuigd van het nut van de screeningstest, dan
maakt u best een afspraak met uw arts die U dan kan
doorverwijzen. U kan ook online een vraag indienen
door te klikken op VRAGEN. |
|
|
| WANNEER IS DE UITSLAG VAN DE SCREENINGSTEST BEKEND? |
| |
Voor de eerste trimester screeningstest gebeurt de
bloed afname tussen 9 en 12 weken zwangerschap; de bijkomende
echografie voor het meten van de nekplooi dikte bij de
eerste trimester screeningstest gebeurt best tussen 11
en 13 weken. Op het moment van de echografie heeft uw
gynecoloog reeds het resultaat van het bloedonderzoek.
Voor de tweede trimester screeningstest gebeurt de bloed
afname tussen 14 en 18 weken zwangerschap. Het resultaat
van de test is binnen de week bekend. Het laboratorium
verwittigt uw arts automatisch bij afwijkende resultaten. |
|
|
| WAT
MOET U DOEN WANNEER DE SCREENINGSTEST DUIDT OP EEN
VERHOOGD RISICO? |
| |
Vooreerst moet nagegaan worden of de aangegeven zwangerschapsduur
juist is. Een niet volledig juiste zwangerschapsduur
kan immers de oorzaak zijn van een foute risicobepaling.
Overleg rustig met uw arts, zij/hij zal u de nodige informatie
geven over een verdere diagnostische test (vruchtwaterpunctie,
of eventueel een vlokkentest bij een eerste trimester
screening).
Slechts 2 % van de groep met een verhoogd risico bij
de screeningstest is ook effectief zwanger van een kind
met Down syndroom, dus echt ongerust hoeft u zich niet
te maken. De screeningstest wijst U gewoon op een verhoogd
risico zodat U kan opteren voor een diagnostische test
na een vruchtwaterpunctie (14-16 weken zwangerschap)
of een vlokkentest (11-13 weken zwangerschap) : deze
testen geven meer zekerheid. |
|
|
| WAT IS EEN VRUCHTWATERPUNCTIE, EN WAT IS EEN VLOKKENTEST? |
| |
Bij een vruchtwaterpunctie (14-16 weken zwangerschap)
wordt onder echografische geleiding via de buikwand een
kleine hoeveelheid vruchtwater afgenomen.
Bij een vlokkentest wordt ook onder echografische geleiding
een monster genomen van de cellen van de moederkoek (placenta).
Deze cellen worden vlokken genoemd. Een vlokkentest kan
worden uitgevoerd op twee manieren : via de vagina (vanaf
9 tot 10 weken) of via de buikwand (11-13 weken zwangerschap).
De
vruchtwaterpunctie en vlokkentest hebben een klein maar
niet verwaarloosbaar risico op complicaties
(bloeding, lek vruchtwater, infectie). De vruchtwaterpunctie
leidt in ongeveer 1 op 200 puncties tot een miskraam,
terwijl het risico van de vlokkentest op een miskraam
iets groter is (1 op 100). |
|
|
| WELKE ANALYSE GEBEURT ER OP HET VRUCHTWATER OF DE VLOKKEN? |
| |
Op het bekomen vruchtwater of vlokken wordt in een
lab voor erfelijkheidsonderzoek een chromosoomanalyse
uitgevoerd, die met zekerheid aantoont of er al dan niet
sprake is van trisomie 21, wat altijd op Down syndroom
wijst. Meestal kan reeds na enkele dagen uitsluitsel
worden gegeven. |
|
|
| WELKE
ANDERE AFWIJKINGEN WORDEN OPGESPOORD MET EEN VRUCHTWATERPUNCTIE
OF VLOKKENTEST? |
| |
Ook andere chromosoomafwijkingen zoals trisomie 18
en trisomie 13 worden aangetoond Bij een vruchtwaterpunctie
(niet bij een vlokkentest) wordt ook een onderzoek naar
spina bifida (ook open ruggetje of neuraalbuisdefect
genoemd) gedaan.
Deze testen sluiten echter niet alle mogelijke afwijkingen
uit, en geven dus geen garantie op een gezond kind. |
|
|
| WAT
DOEN BIJ EEN POSITIEVE DIAGNOSTISCHE TEST NA EEN
VRUCHTWATERPUNCTIE OF VLOKKENTEST? |
| |
Dan
heeft u vaak duizend en één
vragen. Het best contacteert U de gynecoloog of geneticus,
die
eventueel in samenwerking met andere artsen en hulpverleners
u zal helpen om te zoeken naar de meest geschikte oplossing.
Afhankelijk van de gevonden afwijking (vaak Down syndroom,
maar soms ook andere afwijkingen zoals trisomie 18)
moet U dan samen met de verschillende hulpverleners
beslissen
of u de zwangerschap al dan niet verder zet. |
|
|
| BESTAAT
ER EEN VERHOOGD RISICO OP DOWN SYNDROOM ALS MEN
REEDS IN EEN VORIGE ZWANGERSCHAP EEN BABY MET DOWN
SYNDROOM
HAD? |
| Iemand die reeds voordien zwanger was
van een baby met Down syndroom heeft slechts een licht
verhoogd risico
op een tweede kind met een chromosoomafwijking (1 à 2%
bovenop het leeftijdsrisico). De overige familieleden
hebben geen verhoogd risico op een kind met Down syndroom.
Down syndroom is dus eigenlijk niet erfelijk in de zin
van overerfbaar, alhoewel het wel een afwijking is van
erfelijk materiaal. |
|
|
| |